Verhaal 2: Pakken jullie nu mijn baantje als voorlichter af?
“Ik maak me zorgen. Vijf jaar geleden waren we nog met veertien voorlichters en konden we heel Delfshaven en het Oude Noorden bereiken met onze voorlichtingen. Inmiddels zijn we nog maar met zes”, zegt Gouffran
Het is de eerste vrijdag van de maand en Gouffran zit het maandelijks werkoverleg van de vrijwilligers van de Stichting Vijg. Dit is een stichting die voor lichting geeft over het belang van vroege opsporing en dus van het deelnemen aan bevolkingsonderzoeken, Gouffran is al sinds de oprichting van de Stichting Vijg als vrijwilligster de coördinatrice Voorlichtingen.“Maar wat doen we verkeerd dat zoveel voorlichters zijn we weggelopen en waarom werven we geen nieuwe voorlichters?” vraagt Astrid. Zij is sinds kort bestuurslid Voorlichtingen bij Vijg. Dit is de eerste keer dat zij aanwezig is bij het werkoverleg.
Gouffran kijkt haar zuchtend aan. “Voor veel voorlichters was dit vrijwilligerswerk een eerste stap op weg naar een professionele opleiding en een betaalde baan en de betaalde baan betekent geen tijd meer voor vrijwilligerswerk. De andere voorlichters zijn we helaas verloren aan de ziekte zelf. Je hebt geen idee hoeveel moeite we hebben gestoken in het werven van nieuwe vrijwilligers. Jammer genoeg willen weinig vrouwen die baarmoederhalskanker hebben gehad daar nog mee bezig zijn.” “Wat bijzonder,” zegt Astrid. “Ik zit ook bij Wijkcentrum Char, een buurthuis, in het bestuur, daar heb ben we een overvloed aan vrijwilligers, omdat het veel gezelliger vinden om in een buurthuis actief te zijn. Waarom trainen we dan geen vrijwilligers daar, die kunnen dan bij Char voorlichting gaan geven over het deelnemen aan de bevolkingsonderzoeken naast hun andere werkzaamheden daar?
“Interessant idee.” Gossia, één van de beste voorlichters en ook een ouwe getrouwe, heeft tot nu toe nog weinig gezegd. “Veel buurthuizen hebben tegenwoordig ‘gastvrouwen’, vrijwilligsters die getraind zijn om verbinding te leggen tussen verschillende activiteiten in het buurthuis en bezoekers van het buurt huis de weg te wijzen. Als we die vrouwen zouden kunnen trainen, kunnen ze ook dingen doen die wij niet kunnen, zoals ze een tijdje na de voorlichting weer eens aanspreken en kijken of ze van plan zijn te gaan. Ze kunnen ook checken of er nog belemmeringen zijn, de belemmeringen bespreken en ze helpen met praktische zaken. Ze kunnen bijvoorbeeld een afspraak maken met de huisarts voor degenen die niet zelf durven te bellen of ze helpen de kinderen op te vangen wanneer ze naar de huisarts gaan. De gastvrouwen komen regelmatig in hun eigen buurt huis, wij hooguit één keer per jaar.”
“Natuurlijk gaan we dat niet doen”, zegt Gouffran fel. Astrid kijkt Gouffran vragend aan, maar die kijkt boos voor zich uit, haar armen over de borst gevouwen. Nog voordat ze kan doorvragen, voelt Astrid dat Gossia haar zacht aanraakt. Onderwerp even laten liggen, begrijpt ze.De rest van de agenda wordt vrij snel afgewerkt. Astrid besluit na afloop van de vergadering onopvallend achter Gossia aan te lopen. Deze gaat gelukkig een andere kant op dan Gouffran. Zodra ze de hoek is omgeslagen blijft Gossia stilstaan en draait zich om.
“Weet je Astrid, we hebben dit gesprek al eens eerder gevoerd, voordat jij erbij kwam, maar Gouffran is bang.”
“Bang? Waarvoor dan?”
“Gouffran zegt dat vrouwen die zelf geen baarmoederhalskanker hebben gehad, zoals de vrijwilligers bij Char, niet goed voorlichting kunnen geven. Maar ik denk dat ze bang is. Bang dat die vrijwilligers van Stichting Char straks ook voorlichting gaan geven op de locaties waar wij nu zelf komen. En voorlichting geven over baarmoederhalskanker is haar levensvervulling. Dat betekent dat ze niet zomaar zal accepteren dat anderen haar werk overnemen of vervangen. Dat komt voort uit het gevoel van verlies van controle en het bijzondere contact dat ze al jaren met de vrouwen heeft opgebouwd.’
Zuchtend loopt Astrid naar haar auto. Goede raad is duur. Als Stichting Vijg niet snel nieuwe voorlichters opleidt, zal de stichting over een paar jaar niet meer bestaan. En dat kan niet. Ze heeft de oprichtster beloofd te zorgen dat haar levenswerk ook na diens overlijden zal worden voortgezet, vooral om dat Vijg de enige is die vrouwen met een migratieachtergrond zo goed weet te bereiken dankzij hun
speciale methode. Vijg geeft geen voorlichting, moraliseert niet en zendt niet, maar gaat het gesprek aan in buurthuizen. Dankzij het creëren van een veilige sfeer praten de vrouwen in de buurthuizen over hun angsten en weerstanden en pas dan staan ze ook open voor de boodschap van Vijg.
Later die week krijgt Astrid een goedbedoeld maar confronterend advies van een oude rot uit het vrijwilligersveld: “Soms moet een organisatie een oud vel afleggen om verder te kunnen groeien. Dat kan betekenen dat je afscheid neemt van oude werk wijzen, of dat je rollen opnieuw moet verdelen. Het doet pijn, maar als je het zorgvuldig en met respect doet, ontstaat er ruimte voor iets nieuws — zonder het verleden te vergeten.”
Het advies blijft door haar hoofd spoken. Het klinkt waar, maar ook hard. Astrid voelt weerstand. Ze wil helemaal geen afscheid nemen van Gouffran. Ze bewondert haar vasthoudendheid, haar kennis, haar jarenlange toewijding. En toch weet ze ook: als er niets verandert, dreigt alles waarvoor Gouffran zich heeft ingezet, alsnog verloren te gaan.
In plaats van het conflict te vermijden of het gesprek te forceren, besluit Astrid het anders aan te pakken. Ze nodigt Gouffran uit voor een kop koffie, niet om haar te overtuigen, maar om haar te horen. Ze wil begrijpen wat er voor Gouffran op het spel staat, en samen onderzoeken hoe de kernwaarden van Vijg behouden kunnen blijven — mét nieuwe vrijwilligers en mét Gouffran in een rol die recht doet aan haar betekenis voor de stichting. Misschien is dat de weg vooruit: niet het oude loslaten, maar het verweven met het nieuwe.
